Spelen is leren

Soms, heel soms wordt de pedagoog in mij weer wakker. Nou ja, toen ik ruim 25 jaar geleden bij AH aan de slag ging, kon ik op de vraag waarom ik daar aan de slag ging, alleen maar antwoorden: ‘op de kleintjes letten”.
En managers en moeilijk opvoedbare kinderen, die verschillen zijn niet zo groot toch.
Even serieus, waar ik me nu de laatste tijd heel druk om maak, is het onzalige idee om kinderen vanaf 2.5 jaar al een soort onderwijs te geven.
De doelstelling is natuurlijk een nobel streven: ieder kind gelijke kansen bieden. Maar internationaal onderzoek (o.a. naar de invloed van Sesamstraat op de ontwikkeling van jonge kinderen) heeft laten zien dat het aanbieden van ontwikkeling stimulerende methoden of middelen altijd effect heeft, dus ook bij de peuters en kleuters die geen achterstand hebben. De kloof blijft er dus.
Daarnaast, en hier klopt mijn pedagogenhart, is spelen leren. Door te spelen leren kinderen, dat is alom bewezen. Dus wie komt er nu in hemelsnaam op het idee dat onderwijs aan peuters helpt de achterstandspositie van bepaalde kinderen te laten verdwijnen.
Beter is het om speelgoed aan te bieden aan gezinnen in een achterstandspositie, om ouders te leren dat spelen belangrijk is, om ze te leren wat ‘goed’ speelgoed is. Liefst iets waar het kind mee kan ontdekken. Een eenvoudige rammelaar leert de baby dat hij door te bewegen zelf geluid kan veroorzaken, door het in zijn mond te nemen leert hij iets over het materiaal etc.
Het is eigenlijk net als werken in een organisatie. Niet alleen het formele leren is belangrijk, integendeel; training en coaching on the job, daar leer je het meest van. En natuurlijk is het goed om wat theorie mee te krijgen zodat je bevestigd wordt in dat wat je deed ook goed is. We hebben het niet voor niets over de 10-20-70 regel: 70% van alle kennis en vaardigheden wordt uit de praktijk gehaald.
Dus weg met cognitief onderwijs voor peuters, liever nog meer spelen, ook in de hogere klassen!
Pia van Vulpen